Angst en hoop in de nasleep van Turkije’s mislukte coup

Vlaggenverkoper Ali doet goede zaken. Met een zware bundel vlaggen op zijn schouders sjokt hij over het Taksimplein op en neer. Voor vandaag heeft hij zijn twee zoontjes ook aan het werk gezet; in zijn eentje kan hij de vraag niet aan. “De mensen houden van hun land, en van hun vlag. En ik help ze daar een handje bij,” verklaart hij opgewekt.

In het centrum van Istanbul lijkt de rust wedergekeerd. De beroemde Istiklal straat – commerciële levensader van de stad – wordt weer bevolkt door simit verkopers, straatmuzikanten en toeristen. Waar veel Westerse toeristen bestemmingen in Turkije al een paar maanden links laten liggen, is het land nog altijd in trek bij vakantiegangers uit het Midden Oosten.

De lottenverkoopster staat op haar vaste stek voor het Franse consulaat haar loten te venten en familie’s poseren breed glimlachend voor het onafhankelijkheidsmonument midden op het plein. Als je niet beter wist zou je bijna denken dat er hier niks aan de hand was. Dat dit land niet enkele dagen geleden nog op de rand van de afgrond verkeerde. Bíjna.

Een tweede blik doet een heel ander beeld ontstaan. Een half verscholen portofoon transformeert een achteloze voorbijganger in een agent in burger. De straten zijn vol maar de winkels zijn leeg. En waar zijn de grote, logge waterkanonnen en de politiebusjes die in de afgelopen jaren zo’n vertrouwd onderdeel van het straatbeeld in Istanbul zijn geworden?

Het is rustig. Akelig rustig. Het is de onnatuurlijke kalmte van een land dat bijkomt van de schrik en nog niet helemaal zeker is of het gevaar daadwerkelijk is geweken. Het is de stilte van al die mensen die zijn thuisgebleven omdat ze de zoveelste waarschuwing voor bomaanslagen nu wél serieus nemen. Het is de leegte die is achtergebleven nadat de hoop op een betere toekomst is vervlogen.

Eén natie, één President”

Nog geen drie dagen geleden was ditzelfde Taksimplein het toneel van een historische confrontatie tussen burgers en militairen. De soldaten gehoorzaamden het bevel van hun officiers, en hun opponenten gaven gehoor aan een oproep van President Recep Tayyip Erdogan om massaal de straten op te gaan om de staat en de democratie te verdedigen.

Zo ook de 22-jarige Osman Kerenoglu. Hij heeft een rode bandana met opschrift ‘Türkiye’ om zijn hoofd geknoopt en loopt nog altijd met een vlag over het plein. “Nadat de President zei dat we de straten op moesten gaan ben ik direct naar het plein gekomen,” zo vertelt hij. “Voor volk en vaderland.”

Vrijdagnacht lukte het Osman en zijn vrienden om de soldaten te overmeesteren. Ze waren in een grote meerderheid en de soldaten, ondanks het feit dat ze tot de tanden toe bewapend waren, deinsden er voor terug om het vuur te openen. Het was een tafereel dat zich op vele plekken in het land zou herhalen: massa’s opgehitste burgers die zich als levende barrières voor de tanks wierpen en gewapende soldaten met blote vuisten te lijf gingen.

Het zou uiteindelijk enkele tientallen mensen het leven kosten, maar niet zonder succes. Het falen van de coup is voor een groot deel te danken aan de duizenden Turken die zonder angst voor lijf en leed de straat op zijn gegaan om het leger de pas af te snijden. Het was een riskante gok van de politieke leiders om de toekomst van het land in de handen van de burgers te plaatsen. Het had evengoed op een bloedbad uit kunnen draaien met duizenden doden tot gevolg.

Maar deze gedurfde zet heeft z’n vruchten afgeworpen, en President Erdogan en de zijnen lijken nu machtiger dan ooit. “Eén natie, één President,” zo vat Osman de situatie samen. Een beeld waar niet iedereen even gelukkig van wordt.

Een gezamelijke toekomst

“Ik ben opgelucht dat de coup voorbij is, maar we kunnen de uitkomst niet een democratie noemen,” legt Yasemin, een 43-jarige architecte die liever niet bij haar achternaam genoemd wil worden, uit.

Op het Taksimplein fotografeert ze de gigantische Turkse vlaggen die door gemeentewerkers boven het plein worden opgehangen. “Om esthetische redenen,” geeft ze lachend toe, niet omdat ze per se zo’n grote fan is van dit nogal bombastische nationalisme.

Het is voor het eerst sinds enkele dagen dat ze weer naar buiten komt. Doodsbenauwd was ze, op vrijdagavond, toen de straaljagers over de stad vlogen en er geweerschoten in de straten klonken. Ze was bang voor de gevechten, maar ook voor de pro-regerings demonstranten die zij zag als een op hol geslagen horde fanatieke Islamisten.

Ze beseft nu dat ze het bij het verkeerde einde heeft gehad: “Er zitten ook veel vrouwen en kinderen tussen de mensen die nu nog altijd de straat op gaan.” Volgens de architecte is het verkeerd om van elkaar weg te rennen, en moet men juist toenadering zoeken om gezamelijk de obstakels te lijf te gaan. “Ik ben een optimist,” geeft ze op haast verontschuldigende wijze te kennen.

Het is een optimisme dat niet door iedereen gedeeld wordt. Voor velen is het vooruitzicht van een nóg machtiger president die nu vrij baan heeft om al zijn politieke tegenstanders een pootje te lichten genoeg om serieus emigratie te overwegen.

“Ik houd van dit land, van mijn wijk, van mijn straat en van de mensen,” vertelt een tabaksverkoopster in de wijk Kadiköy, aan de Aziatische kant van Istanbul. “En ik had nooit gedacht dat het zover zou komen, maar ik zit er nu serieus over na te denken om naar het buitenland te vertrekken.”

De knokploegen van de AKP

Waar men angst voor heeft? Dat er in het nieuwe Turkije van Erdogan geen ruimte meer is voor andersdenkenden. Dat misdaden onbestraft zullen blijven zolang ze maar door de juiste persoon begaan zijn. Dat er niet langer de vrijheid zal zijn om er andere ideeën, ideologieën, of politieke overtuigingen op na te houden.

“Ik ben bang,” geeft Ercan Ayboga toe. De 39-jarige ambtenaar woont en werkt in Diyarbakir, een overwegend Koerdische stad in het zuidoosten van Turkije die in de afgelopen maanden zwaar getroffen is tijdens gevechten tussen het Turkse leger en Koerdische militanten.

“Het is niet zo dat ik teleurgesteld ben dat de coup mislukt is,” voegt hij snel toe. “Want dat was ook geen oplossing geweest. Maar ik ben bang voor de komende dagen, weken, maanden. Voor het mogelijke geweld dat ons nu te wachten staat.”

Nieuwsberichten uit Malatya, een stad in het oosten van het land, spreken van bendes die overwegend Alevitische wijken binnen dringen om de bewoners angst aan te jagen. “De AKP supporters zijn hier. Waar zijn de Alevieten?” scandeerde een groep van zo’n duizend man sterk, terwijl ze luid vanuit hun auto’s AKP verkiezingsjingles draaiden.

“De AKP is in de nasleep van Gezi begonnen militante groepen op te richten om het vuile werk voor hen op te knappen,” legt Ayboga uit, refererend aan de landelijke Gezi protesten van 2013. “Groepen zoals de Osmanli Ocaklari [“Osmaanse Haarden”], die ook verantwoordelijk zijn voor de aanvallen op tientallen partijkantoren van pro-Koerdische partijen in de aanloop naar de verkiezingen in November.”

Hij vreest dat de AKP meer en meer gebruik zal gaan maken van dit soort groepen om hun wil aan de bevolking op te leggen. “Ze zullen het niet uit de hand laten lopen, maar kleinschalige aanvallen uitvoeren die een grote impact op de samenleving zullen hebben,” zo voorspelt hij.

De wens van het volk

Drie dagen na de coup scheuren er nog steeds tot diep in de nacht auto’s luid toeterend door de stad. “Y’allah bismillah allahu akbar!” schreeuwen de jonge mannen en vrouwen terwijl ze al zwaaiend met hun vlaggen gevaarlijk uit de ramen van hun auto’s hangen.

Osman gaf op het Taksimplein al te kennen dat hij zeker tot het einde van de week zijn plicht als waakzame burger zal blijven vervullen, “om te voorkomen dat het leger een tweede kans krijgt.”

Daar wordt ondertussen ook in de hogere regionen van de samenleving druk werk van gemaakt. De teller staat inmiddels op zo’n twintigduizend mensen van de politie, het ambtenarenapparaat, het leger en justitie die ontslagen of aangehouden zijn. De one size fits all aanklacht luidt “banden met de Gülen beweging”.

Al snel na aanvang van de couppoging werd er door de Turkse overheid met een beschuldigende vinger richting Fetullah Gülen gewezen, de Islamitische prediker en oud-bondgenoot van Erdogan die inmiddels als volksvijand nummer één wordt beschouwd. Zelf ontkent Gülen alle betrokkenheid bij de coup, maar de Turkse publieke opinie heeft haar oordeel al geveld.

Schuldig of niet, de regering heeft de kans met beide handen aangegrepen om het gehele overheidsapparaat te zuiveren van iedereen die er mogelijk andere loyaliteiten op nahoudt.

Aanhangers van Erdogan riepen op tot de herinvoering van de doodstraf om de coupplegers te straffen. Ondanks het feit dat dit het einde zou betekenen van Turkije’s toetredingsproces tot de Europese Unie gaf Erdogan te kennen hier positief tegenover te staan. Turkije “is een democratische rechtsstaat” en “we kunnen de wensen van het volk niet naast ons neerleggen,” zei de President op dinsdagochtend voor zijn huis in Istanbul.

Voor Ercan Ayboga is dit precies hetgeen hem zoveel angst inboezemt. “Lynch justice,” zoals hij het noemt. Zolang de wensen van het volk evenredig lopen met die van de President wordt hen de illusie van medezeggenschap gegund. Maar iedereen weet wie de touwtjes echt in handen houdt, na de gebeurtenissen van vrijdagnacht meer dan ooit.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd door MO*

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s